Verhaaltjes

Sint komt en al bijna aan…. 

Sint Nicolaas had een drukke dag achter de rug. Al heel gauw zou hij met al zijn Pieten en met een heleboel cadeautjes naar Nederland gaan. De stoomboot lag al aan de kade en de eerste pakken en pakjes waren al ingeladen. O, o, wat zou dat weer een feest worden. Zoveel blije kindergezichtjes!

Zijn Pieten draafden nog steeds heen en weer maar de Sint zal even in zijn zitkamer in zijn mooie paleis in Spanje bij te komen van de drukte. Ondertussen dronk hij een lekker glaasje chocolademelk en daarbij at hij natuurlijk een knapperig speculaasje. Als hij uit het raam keek, dan zag hij daar de Stuntpieten hun moeilijke kunsten verrichten op een paar daken vlak bij het paleis. Maar de Sint keek daar nu even niet naar. Hij zat gewoon even lekker te genieten van zijn rust.

Jammer genoeg duurde die rust niet zo erg lang. De Sint had zijn kopje chocolademelk nog niet eens half leeg, of daar kwam al een Piet binnenstormen. “O Sint”, riep hij, “er is een ramp gebeurd!”. Sint Nicolaas keek hem eens aan en hij zei: “Ach Piet, zo erg zal het wel weer niet zijn! Jullie hebben het zo gauw over een ramp!”. Maar toen de Piet hem vertelde, wat er was gebeurd, toen schrok de Sint toch wel even! Piet vertelde, dat de Stuntpiet, die de meeste, moeilijke kunstjes kon een ongeluk had gekregen. “Snapt U dat nou, Sint Nicolaas!”, zei hij, “die Piet is zo vreselijk handig en nu is hij op de grond uitgegleden over een bananenschil!”.

Nee, dat kon de Sint ook niet begrijpen. Als hij zulke moeilijke dingen moest dan, dan was hij al wel tien keer van een dak afgevallen! Stel je voor zeg! Een bananenschil!

“Ja”, ging de Piet verder, “en weet U wat het ergste is? De Hoofdpiet is toen over hem heen gevallen en die heeft daarbij zijn pols gebroken!”.

Sint Nicolaas besloot er meteen werk van te gaan maken. De beste Pakjespiet, die hij had benoemde hij tot een tijdelijke Hoofdpiet. Verder belde hij met de grootste, Spaanse krant. Daarin wilde hij een advertentie zetten voor een nieuwe Stuntpiet en voor een Pakjespiet.. Maar of dat in zo’n korte tijd zou lukken, dat wist Sint Nicolaas natuurlijk ook niet.

Twee dagen later waren er al tien brieven binnen voor een Pakjespiet en vijf voor een Stuntpiet. Sint Nicolaas belde ze allemaal op en de volgende dag zouden ze naar zijn paleis komen.

Eerst moesten de Pakjespieten laten zien, wat ze konden. Ze moesten allemaal een makkelijke, vierkante puzzeldoos inpakken. Daarna kwam dan nog een moeilijke speelgoedbeer met allemaal uitsteeksels er aan! Zes van de tien brachten er niets van terecht. Eén frommelde zelfs de puzzeldoos in driekeer zoveel papier als nodig was en het pakje was nog niet om aan te zien. Een andere scheurde het papier ruw van de rol af, zodat zijn pakje ook al niet mooi kon worden. Er bleven dus nog vier Pieten over. Die moesten nog iets moeilijks doen. Ze moesten over het dak van het paleis lopen en een pakje in een schoorsteen gooien. De eerste Piet zette twee stappen op het dak. Toen rolde hij naar beneden. Gelukkig voor hem in een vangnet, dat een stel andere Pieten ophielden. Nummer twee bereikte wel de schoorsteen, maar daar liet hij het pakje uit zijn handen vallen! Nummer drie deed het prima! Hij liep over het dak, alsof hij dat altijd al gedaan had en het pakje kwam keurig netjes in de schoorsteen terecht!

En nummer vier? Die arme jongen zat met een gezicht vol tranen op de grond. “Ik durf dat dak niet op!”, huilde hij al maar. Sint Nicolaas troostte hem. “Ik zou het ook voor geen duizend gulden doen, hoor!”, zei hij.

Eén Pakjespiet had Sint Nicolaas nu al. Nu nog een Stuntpiet.

Er waren er vijf en ook deze Pieten moesten laten zien, dat ze lenig genoeg waren om als Stuntpiet bij de Sint te gaan werken. Twee vielen er meteen al af! Sint gaf ze de opdracht, om over het dak van het paleis te lopen en die twee durfden dat niet eens! Nou ja, waarom geef je jezelf dan op als Stuntpiet! Eéntje deed het heel erg goed en Sint Nicolaas had hem graag willen hebben . Maar toen die Piet hoorde, dat hij in het koude Nederland zijn kunsten moest gaan vertonen, toen had die Piet er helemaal geen zin meer in. “Ja”, zei hij, “ik ga voor die paar centen niet twee weken kou zitten lijden!”.

Er waren er nog twee over. Nummer vier was ook al niets! Op het dak lopen ging nog wel goed, maar toen de Sint hem vroeg om een radslag te doen, toen wilde dat maar niet lukken. En ook op zijn handen lopen, dat ging niet! Er was er nu nog maar één over! Die liep over het dak, alsof hij een kat was! Hij draaide een radslag alsof hij dat elke dag wel tien keer deed! Op zijn handen liep hij bijna net zo snel als op zijn voeten. Toch wilde Sint Nicolaas nog één test. Samen met de nieuwe Piet liep hij naar de stoomboot. Daar vroeg hij aan de Piet, of hij in de mast wilde klimmen en dan langs een touw naar beneden zeilen. En wat denk je? Nou, ook dat ging prima! “Beste man”, zei de Sint, “je bent aangenomen als nieuwe Stuntpiet. De nieuwe Piet vond het geweldig, dat hij bij de Sint kon komen werken. Maar hij had toch nog één ding aan de sint te vragen. Zijn vriend was een paar weken geleden zonder werk komen te zitten. “Ach Sint Nicolaas”, zei de man, “kunt U mijn vriend ook niet een baantje geven?”.

“Wat kan die vriend van jou?”, vroeg de Sint. “O”, zei de nieuwe Piet, “mijn vriend is een hele goede clown!”.

Dat leek de sint wel een leuk idee! Een echte clown bij zijn Pieten!

Kijk bij de intocht van Sint Nicolaas maar eens goed. Misschien zie je dan wel een Piet, die heel erg gek doet! Dat is dan vast die Clown-Piet!

 


 

De boot van Sinterklaas.

Katinka en Boris trekken hun jas aan. Ze gaan kijken naar de boot van Sinterklaas.
Daarmee is hij helemaal uit Spanje gevaren.
Bij het water staan al kinderen te wachten.
Zien jullie de boot al? vraagt papa.
Ja! roept Katinka. Er vaart een kleine boot onder de brug door.

Er zitten vier zwarte pieten in. Ze zwaaien. En ze doen een beetje gek.
Waar is Sinterklaas nou? vraagt Katinka.
Misschien is hij zeeziek, zegt papa.
Katinka kijkt papa geschrokken aan.
Ik maak maar een grapje, zegt papa. Dit is nog niet de échte boot van Sinterklaas.
Het bootje vaart naar de kant. Twee pieten klimmen op de rand van de boot om snoep uit te delen.
Katinka krijgt een handvol pepernoten van zwarte piet.
Boris mag ook. Maar hij is een beetje bang.
Daarom geeft zwarte piet de pepernoten aan papa.
Mmmm, lekker! Van papa lust Boris ze wel.
Tuuuut! Tuuuut! horen ze plotseling. De brug gaat open.
Er komt een grote boot aan. Hij is versierd met gekleurde vlaggetjes.
Dat is wél de boot van Sinterklaas, zegt papa.
Ik zie hem al! roept Katinka.
Dag kinderen! wuift Sinterklaas.
Katinka en Boris zwaaien.
Op het dek lopen een heleboel zwarte pieten. Ze dansen. En ze maken muziek.
Bovenin de mast zitten twee zwarte pieten.
Is dat niet gevaarlijk? vraagt Katinka.
Jawel! zegt papa. Maar pieten kunnen goed klimmen! Ze klimmen ook op het dak om cadeautjes door de schoorsteen te gooien.
Ook bij ons? vraagt Katinka.
Vanavond mogen jullie je schoen zetten, zegt papa. En misschien doet zwarte piet er wel wat in.

 


 

De Stoomboot

‘Sinterklaas komt vandaag met de boot aan,’ zegt Mama.
‘Hiep hoi!’ Jippe springt en danst.
Mama lacht: ‘Doe je jas aan en je muts op. We gaan naar de haven. Papa, ga je mee?’

O, jee. Het is erg druk. Heel veel kinderen. Vrolijke muziek. Jippe krijgt een ballon.
Mama ziet een plaatsje vooraan.
‘Kom,’ zegt ze. ‘Hier kunnen we het goed zien. Het is wel een beetje koud aan het water.’

‘Kijk!’ roept Papa. ‘Daar komt de boot al aan.’
Vooraan staat Sinterklaas. Hij zwaait en knikt naar de kinderen. Er zijn ook veel Zwarte Pieten op de boot. Zij springen en staan op hun hoofd.
Er is nog een boot. De pakjesboot. Daar zitten alle cadeautjes in. Jippe vindt het spannend. Hij geeft Mama een handje.

De boot is bij de haven. Sinterklaas loopt voorzichtig over de plank. De hoofdpiet helpt hem. Sinterklaas stapt op zijn paard. Een mooi wit paard. Een schimmel.
De optocht vertrekt. Af en toe staat het paard stil. Sommige kinderen krijgen een hand van Sinterklaas.
De Zwarte Pieten delen pepernoten uit. Jippe is verlegen. Hij kijkt alleen.

De optocht is voorbij. Iedereen gaat weer naar huis.
‘Jippe, jij mag vanavond je schoen zetten,’ zegt Papa.
Maak thuis nog maar een mooie tekening voor Sinterklaas.’
Dat doet Jippe!


 

Schoen zetten.

‘Jippe, je mag je schoen zetten,’ zegt Mama. ‘Hier bij de verwarming. Welke schoen wil je?’
‘Die bruine met klittenband,’ antwoordt Jippe.
‘Mag ik ook mijn schoen zetten?’ Dat is Papa natuurlijk.
‘Nee,’ lacht Jippe. ‘Dat is alleen voor kinderen.’
‘Ja, lieve kinderen,’ plaagt Papa. ‘Ben jij altijd lief?’
Jippe krijgt een kleur.
‘Niet zo plagen, Jan.’ Mama helpt Jippe.

Jippe zet zijn schoen onder de verwarming. Hij doet zijn tekening en zijn verlanglijstje erin.
‘Vergeet je niet iets?’ vraagt Mama. ‘Denk eens aan het paard!’
‘O, ja, een wortel.’ Jippe stopt hem erbij.
‘Kom, nu vlug tandjes poetsen, wassen en slapen.’ Mama geeft Jippe een knuffel.
‘Was het maar vast morgen,’ zegt Jippe nog.
Dan is het stil.

‘Mama, Papa, kom eens kijken! Er zit een konijntje in mijn schoen. Een knuffel!’
Nog een beetje in slaap zegt Papa: ‘Wat lief! Heb je de chocolaatjes ook gezien?’
‘Ja, daar mag jij er ook een van. En Mama ook.’
Dat is lief van Jippe. Maar hij is ook wel verwend.


 

De veer van zwarte piet

Bonk! Bonk! Bonk! Boven in het huis klinkt een hoop lawaai.
Wat hoor ik? roept Katinka.
Laten we maar gaan kijken, zegt mama.
Katinka’s raam staat open. Het lijkt wel of er iemand in haar kamer geweest is!
Hé, roept Katinka. Er ligt een cadeautje! En snoep!
In de kamer van Boris ligt ook een cadeautje. En ook snoep.
Ik denk dat zwarte piet geweest is, zegt mama.
Ja, dat denkt Katinka ook.
Ineens zien ze poes Brannie met een grote witte veer in haar bek.
Die lijkt wel van de muts van zwarte piet! zegt Katinka. Stoute Brannie! Heb je die gepakt?
Mama denk dat zwarte piet hem verloren heeft toen hij door het raam klom.
Arme piet! Nou heeft hij geen veer meer op zijn muts!
Katinka en Boris spelen met de veer. De beer mag hem even op zijn wollen muts. En poes Brannie rolt ermee over de grond.
Ik heb een idee! roept Katinka. Als Sinterklaas op mijn school komt ga ik de veer teruggeven.
Dat is een heel goed idee.
Mama stopt de veer in haar jaszak en dan fietsen ze naar school.
Maar als ze bij de school komen, kan mama de veer niet meer vinden! Hij is weggewaaid!
Mama schrikt. Wat moeten we nou tegen Sinterklaas zeggen?
Je hoeft niet bang te zijn, zegt Katinka. Ik zal het wel zeggen.
Als Katinka bij Sinterklaas op schoot zit, vertelt ze hem alles.
Sinterklaas lacht. Zwarte piet heeft allang een nieuwe veer gekregen! Maar waar is die domme mama?
Daar! wijst Katinka.
Kom jij ook maar even op mijn schoot zitten, wenkt Sinterklaas. Mama moet een liedje zingen en dan krijgt ze een paar pepernoten.
Je bent wel groot en zwaar geworden, zucht Sinterklaas. Nu wil ik weer een kindje op schoot!
Mama lacht. Ze is niet meer bang voor Sinterklaas.

 


 

De zwarte piet in de koelkast

Een Sinterklaasverhaal over wennen aan de kou in Nederland


Op een avond riep Sinterklaas zijn Pieten bij elkaar. Hij had ze heel veel te vertellen over hoe je de moeilijke cadeautjes in moet pakken en waar je de schaar terug moet leggen en wat de Marsepeinpiet weer voor nieuwe figuren gemaakt had. Ze zaten in een grote kring, maar ze konden nog niet beginnen want een van de Pieten was er niet. Sinterklaas zei: “Weten jullie waar Frigidaro is?”

De Pieten keken elkaar aan en schudden hun hoofden. Nee, niemand wist waar Frigidaro was. “Laten we samen maar iets zingen,” stelde de Sint voor, “dan zal Frigidaro intussen wel komen.” En toen zongen ze: “Hoor de wind waait door de bomen…” Dat is het langste sinterklaaslied dat er is.

Maar toen ze het helemaal uit hadden, was Frigidaro nog steeds niet gekomen. Sinterklaas werd een beetje ongerust. Er zou toch niets gebeurd zijn? “We gaan hem zoeken,” zei hij. “Jij kijkt in de slaapkamer en jij op de zolder, en jullie tweeën gaan naar de tuin.”

In een mum van tijd waren ze allemaal aan het zoeken, ieder in een eigen hoekje van het paleis. Er werden deuren dichtgeslagen en heel hard “Frigidaro!” geroepen. Er kwam geen antwoord. Nee, de stem van Frigidaro was niet te horen, ook niet heel uit de verte. Het begon al donker te worden en het werd bedtijd. “Hebben jullie overal gezocht?” vroeg Sinterklaas. “Ja,” zeiden de Pieten en ze noemden alles op. Alle kamers! “Ook in de diepe kasten?” – “Ja, Sinterklaas.” – “En in de voorraadkamers?” Overal hadden ze gekeken. Toen kwam de Sint in de grote keuken. “En hier?” zei Sinterklaas. “Hebben jullie hier ook gezocht?” – “Ja, Sinterklaas, overal!”

Sinterklaas liet zijn ogen rondgaan, langs het fornuis, over het witte aanrecht. En toen zag hij de grote koelkast, de hele grote koelkast waar soep in kan voor wel vierentwintig Pieten. En ineens had Sinterklaas het gevoel dat Frigidaro vlak in de buurt was. “En daar?” wees hij.

“Maar Sinterklaas, dat is een koelkast! Wie gaat er nou in een koelkast zitten?” Sinterklaas liep ernaartoe, hij trok de deur open, het lichtje floepte aan en wie zat daar? Frigidaro! Helemaal bibberend en verkleumd. Op zijn zwarte haren lag een laagje wit en op zijn dikke wenkbrauwen glinsterden ijskorrels.

“Ik…kk…k, Sinterklaas, ik…k z…zit in de koelkast,” zei hij met een heel dun stemmetje.

“Ja, dat zie ik,” zei Sinterklaas.

De Pieten begonnen te lachen. Sinterklaas hielp hem eruit, zijn benen waren helemaal stijf. De Pieten begonnen zijn rug te wrijven en zijn schouders en toen werd hij gelukkig weer een beetje warm. De Sint zei: “Waarom heb je dat gedaan?”

“Ja,” zei hij, “Sinterklaas, ik wilde zo graag een goeie Piet zijn. Ik wilde zo graag mijn best doen. Vorig jaar, in het land waar u altijd uw verjaardag viert, was het zó koud. Zo koud dat er op een nacht allemaal witte dingen uit de lucht vielen.”

“Sneeuw!” riepen de Pieten.

“Ja, sneeuw en hagel. O, zo koud, Sinterklaas. En daarom dacht ik, ik ga in de koelkast zitten. Om te oefenen, begrijpt u? Maar het was zó akelig daarbinnen en er kwam steeds maar niemand.”

Een paar van de ijsbolletjes rolden langs zijn wangen naar beneden en het leken net tranen. Sinterklaas zei: “Geef Frigidaro maar eens gauw een beker hete anijsmelk.” Zijn tanden klapperden tegen de rand van de beker, maar gelukkig keek hij weer een beetje blij.

“Ik vind het fijn dat je graag een goeie Piet wil zijn,” zei Sinterklaas tegen hem, “maar dit is een beetje te veel van het goede.” – “Van het koude,” fluisterde Frigidaro. En toen bracht Sinterklaas hem naar bed en hij mocht zijn sokken aanhouden.

 


 

Sinterklaas zit zonder geld

Op een dag zei Sinterklaas tegen zijn Pieten: “Ik moet nog zó veel cadeautjes kopen, eigenlijk te veel om op te noemen. En de suikerharten zijn ook op. Straks ga ik naar boven en dan maak ik een lijst waar alles op staat.”

Toen ging de Sint naar zijn kamer en maakte een lange lijst waar alles op stond: de taaipoppen en het marsepein en alle jongetjes die een voetbal wilden. Een wit konijn voor Hermien uit Elst en voor haar broertje een mondharmonica.

Toen hij ‘mondharmonica’ opschreef, hoorde Sinterklaas muziek. “Ik denk natuurlijk dat ik muziek hoor,” zei hij tegen zichzelf, maar toen hij dat gezegd had, ging de muziek toch gewoon door.

Sinterklaas legde zijn pen neer. Dat kon helemaal niet! Hij hoorde een sinterklaaslied! En in Spanje hoor je nooit sinterklaasliederen! Die hoor je alleen in Nederland want daar viert Sinterklaas altijd zijn verjaardag. Toch hoorde je ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ heel in de verte, en er waren trommels bij en fluiten. Hoe kon dat nou?

“Ik ga het aan de Pieten vragen,” dacht Sinterklaas. Maar beneden in het paleis was het leeg en stil. En alle deuren stonden open. Sinterklaas liep de tuin in. Nu klonk het zingen veel dichterbij. En er was nog een geluid: rik…tikkerik…tik. Alsof iemand iets heen en weer schudde in een blikken trommel. Wat was er toch aan de hand?

De Sint sloeg de weg naar het dorp in. Op de markt stond een muziektent, daar ging hij op af. Ineens hield het zingen op, er werd iets geroepen. En daar was dat gekke geluid weer: rik…tikketik…rik. Sinterklaas bleef staan, hij herkende die stem! Die was van Peseto, de Geldpiet van het paleis. Daar liep hij. Hij droeg iets in zijn hand. Het rammelde… het was een geldbus! Sinterklaas kon zijn ogen niet geloven: Peseto met een echte geldbus. Hij rammelde ermee onder de neuzen van de mensen. “Het geld van Sinterklaas is op!” riep hij, “geef allemaal met gulle hand! Sinterklaas heeft geen geld meer om cadeautjes te kopen!”

O, kinderen, Sinterklaas wist niet wat hij hoorde! “Peseto!” riep hij, “Peseto, wat is dit allemaal?” Sinterklaas liep naar hem toe, zo hard als hij kon. Maar de mensen riepen: “Ssst,” en sommigen keken zelfs kwaad. Sinterklaas moest stil zijn. Ze wezen naar iets in de verte. En toen zag hij het pas: de muziektent! De Pieten in de muziektent. Ze zongen! “Sinterklaas is jarig…” En ze hadden hun zondagse mutsen op!

Sinterklaas pakte Peseto bij zijn jas. “Wat heeft dit allemaal te betekenen?” riep hij. Hij liet de geldbus zakken. “Maar Sinterklaas, u zei toch vanmorgen: ‘Ik moet nog zo veel cadeautjes kopen.’ En dat de suikerharten op waren, dat zei u ook. Toen werd ik bang. Ik dacht, we hebben vast niet genoeg geld.”

“Niet genoeg geld?” Sinterklaas schudde hem door elkaar, alsof hij zelf een geldbus was. “Maar Peseto, je weet toch wel: Hoeveel oren heeft een haas? Twee! Precies genoeg. Hoeveel voeten heeft een poes? Vier! Net wat hij nodig heeft. Hoeveel geld heeft Sinterklaas? Meer dan voldoende. Altijd!”

Peseto zuchtte. “Dat is waar ook. Ik was het helemaal vergeten. O, ik schaam me, Sinterklaas.”

“Ik ook,” zei Sinterklaas. “Kijk eens naar al die mensen.”

Maar al die mensen hadden het heel gezellig. Ze wiegden heen en weer en vonden ‘Sinterklaas is jarig’ een mooi lied. Ze wilden meezingen, maar dat konden ze niet want ze kenden geen sinterklaasliederen.

Peseto liep gauw naar de muziektent. Hij ging voor de mensen staan. “Sinterklaas is in de winter jarig,” zei hij. “Dit is het verkeerde lied.” Toen zongen de Pieten: “Dag Sinterklaasje…” En wuiven konden de mensen natuurlijk wel, “da-ag, da-ag,” en de Pieten ook. Zo ging de Sint samen met de Pieten terug naar het paleis. En de geldbus? Die hebben ze weggeven aan een jongetje dat wel jarig was. Hij kocht er toverballen van. Voor alle mensen die daar waren ééntje.

 


 

Het schoentje onder de schoorsteen

Een klein meisje zette eens haar schoentje onder de schoorsteen, want over een paar dagen zou het Sinterklaasavond zijn. Ze wist niet wat ze graag in haar schoentje wilde krijgen en daar dacht ze zelfs helemaal niet aan. Ze dacht alleen aan Sint Nicolaas zelf, over wie haar ouders haar zoveel hadden verteld en over wie al haar dromen en gedachten vol waren.

Ze dacht niet anders dan aan de oude bisschop, die op zijn schimmel daarboven over de daken reed en die door de schoorsteen in de huizen kwam, om zijn geschenken aan de kinderen te brengen. Die wereld van de daken was voor het meisje al halverwege de hemel, en uit die wereld zou Sint Nicolaas komen.

Maar ook aan het paard moest worden gedacht en de moeder van het meisje had haar een flink stuk brood gegeven om in haar schoentje te doen, zodat de schimmel iets te eten zou vinden. Daarna haalde het meisje zelf nog een bakje met water dat ze ernaast zette, zodat het paard ook kon drinken als het dorst had. Toen dit alles klaar was, zong ze met haar vader en moeder een paar mooie Sint-Nicolaasliedjes bij de schoorsteen, en vol van haar heerlijke verwachtingen werd ze naar bed gebracht.

Nu droomde ze nog veel meer van Sint Nicolaas, dan ze de hele dag al had gedaan. Ze droomde dat de heilige door de schoorsteen in de kamer kwam en toen hij zag hoe goed het meisje voor zijn paard had gezorgd, legde hij een hart van suiker in haar schoentje. Toen ging hij met zijn schimmel weer omhoog.

Maar het meisje droomde verder. Ze droomde zo mooi, dat al dromende haar eigen hart openging. Het ging even wijd open als ze haar schoentje had opengezet. En zie, daar ging haar droom uit haar hart omhoog. Hij ging mee met Sint Nicolaas op zijn schimmel over de daken en… toen naar de hemel.

Heel, heel hoog ging het in de hemel. En daar, hoog boven de wolken, tussen de zon en de maan, daar zagen ze een jonge vrouw in een blauwe mantel, die langzaam liep over de sterren en die een heel jong kindje in de armen droeg. Dat was Moeder Maria, die het kerstkindje droeg, waarmee ze in de komende kersttijd weer op aarde wilde komen. En toen Maria Sint Nicolaas aan zag komen, met de droom van het meisje bij zich op de schimmel, keek ze omlaag, en daar zag ze het meisje zelf in haar bedje liggen slapen. En toen Maria zag hoe wijd het hart van het meisje naar de hemel openstond, nam ze iets van het morgenrood uit het hart van haar kindje en vroeg Sint Nicolaas dit in het hart van het meisje daar beneden te willen leggen. Sint Nicolaas nam deze hartengave van het Kerstkind dankbaar voor het meisje aan en keerde toen met haar droom terug naar de aarde.

De volgende morgen, toen Sint Nicolaas weer in Spanje was en de droom in het meisje was teruggekeerd, werd ze wakker. Vol spanning ging ze naar beneden. Hoe zou het bij de schoorsteen zijn?

Het kommetje was leeggedronken en het brood in haar schoentje was verdwenen. In plaats daarvan lag er een hart van suiker in. Het was dus echt waar, dat Sint Nicolaas gekomen was…

Maar daar was nog iets wonderlijks, dat het meisje eerst nog niet had gezien. Het hart van suiker glansde… Het lichtte met een glans die het meisje nog nooit eerder bij suikergoed had gezien. Het hart verspreidde een licht van rode rozen, zoals men dat soms kan zien als de zon opgaat.

Het meisje riep haar vader en moeder en toonde vol blijdschap het lichtende geschenk. Haar ouders vonden het hart prachtig, maar de glans konden ze niet zien. Het meisje verzekerde hun, dat het hart werkelijk glansde, maar ze wist niet, dat deze glans het morgenrood was dat in haar eigen hart lag en dat Sint Nicolaas daar voor Maria uit het hart van het Kerstkind in had mogen leggen.

Sinds die nacht gebeurde het vaak dat het meisje iets om zich heen zag glanzen als het morgenrood, en dat andere mensen die glans niet konden zien.

 


 

Het kleinste stukje speelgoed

Sinterklaas wil altijd erg graag dat zijn knechten genoeg speelgoed maken om ieder kind een heerlijk Sinterklaasfeest te bezorgen. Daarom ging hij op een morgen, een paar weken voor vijf december, alle werkplaatsen langs en zei tegen zijn knechten: “Denk eraan, dat je al het hout goed gebruikt om er iets van te maken. Van een heel klein stukje kun je soms nog iets leuks maken.”

“Maar wat kunnen we dan van die kleine stukjes maken?” vroeg de Timmerpiet, terwijl hij op een hoop afval wees. Sinterklaas bekeek het en zei: “Je kunt er mooie blokken van maken en die verven en met het zaagsel kun je poppen en beesten opvullen.” – “Maar kijk nu eens naar dit piepkleine stukje,” zei een andere Zwarte Piet, “daar kun je toch echt niets mee beginnen.”

En hij liet Sinterklaas een stukje hout zien, dat niet groter was dan de helft van zijn pink. Alle knechten schoten in de lach, maar de Sint bekeek het aandachtig, één wenkbrauw ging omhoog, de ander omlaag – dat deed hij altijd als hij heel diep nadacht. “Je zou er een fluitje van kunnen maken,” zei hij eindelijk. “Een fluitje!” zei de Timmerpiet. “Een fluitje!” lachte Pedro en hij lachte zó hard, dat hij een buiteling maakte, recht in een hoop zaagsel. “Wie kan er nu van dit kleine stukje hout een fluitje maken?” Sinterklaas glimlachte en pakte een scherp, klein mes van de werkbank. “Dat zal ik je eens laten zien,” zei hij.

Alle knechten kwamen om hem heen staan; ook Pedro, die vlug het zaagsel van zijn kleren sloeg. Al hebben Zwarte Pieten nog zulke handige, vlugge vingers, niemand kan toch zulke mooie en moeilijke dingen maken als Sinterklaas zelf. Ze keken met grote ogen toe, terwijl hij het hout tussen zijn handen ronddraaide en er een prachtig fluitje van maakte, dat hij versierde door er bloemen en vogeltjes in te snijden.

“Luister,” zei hij, en toen hij erop blies was het net of er elfjes zongen. Sinterklaas deed het fluitje in een grote, lege zak en zei tegen zijn knechten: “Als je dus heel kleine stukjes hebt, maak er dan fluitjes van.” Na die dag sneden de knechten heel veel fluitjes, maar niemand kon zo’n klein fluitje maken als dat van Sinterklaas.

Op Sinterklaasavond werd het fluitje met al het andere speelgoed in de zak gedaan, maar het was zó klein, dat het steeds tussen Sinterklaas zijn vingers door glipte als hij in de zak naar een cadeautje zocht. Sinterklaas had al veel huizen bezocht en veel schoenen gevuld, maar het fluitje was nog steeds niet weggegeven. De zak was al half leeg en de Sint begon langzaamaan moe te worden, toen hij bij het huis kwam waar Bobbie Blom woonde. Hij stopte Bobbie’s schoen helemaal tot voorin vol, zodat er nog net genoeg plaats overbleef voor een héél klein cadeautje.

“Ik geloof dat ik nog een fluitje heb dat daar precies in past,” zei Sinterklaas en hij pakte het kleine fluitje, dat hij zelf had gemaakt, uit de zak en legde het in Bobbie’s schoen. “Je mag dan het allerkleinste stukje speelgoed zijn, maar je gaat er nog net bij,” zei hij vrolijk. “Hé, wat is dat?” Op het tafeltje vlak voor de haard stond een schaal koekjes en een grote thermosfles vol warme chocolademelk. “Lieve Sinterklaas,” had Bobbie op een stuk papier geschreven, “dit is voor u. Ik hoop dat u het lekker vindt.”

“M-m-m!” zei Sinterklaas, terwijl hij van een koekje proefde. “Wat heerlijk en wat een lekkere chocola! Ik ga er even bij zitten, dan rust ik meteen wat uit.”

En Sinterklaas zakte in een diepe, zachte stoel en strekte zijn benen uit naar het haardvuur. Terwijl hij van de koekjes at, vielen zijn ogen zo af en toe dicht, hij knikkebolde en viel in een diepe slaap. Hij merkte dan ook niet, dat het kleine fluitje over de rand van Bobbie’s schoen keek, en hem in de gaten hield. Het leek het fluitje of Sinterklaas heel lang sliep. De oude klok in de hoek van de kamer tikte rustig door. Sinterklaas sliep, terwijl in het hele land jongens en meisjes op hun cadeautjes wachtten! De schimmel op het dak hinnikte en de belletjes van zijn tuig rinkelden, maar Sinterklaas bleef slapen. Op het laatst kon het fluitje zich niet langer inhouden.

“Probeer Sinterklaas toch wakker te maken,” riep het tegen het andere speelgoed. Maar het speelgoed sliep ook. “Lief vuur, help jij me dan,” zei het tegen de vrolijke vlammetjes in de haard. Het vuur knetterde zo hard als het kon en de vlammen loeiden en sisten, maar Sinterklaas sliep door… “Lieve klok, kun jij Sinterklaas niet wakker krijgen?” vroeg het fluitje. De klok tikte zo hard hij kon, maar Sinterklaas sliep door… “Mijn hemel, wat moet ik doen,” zuchtte het fluitje. “Sinterklaas blijft vast de hele nacht slapen en dan krijgen de kinderen geen speelgoed meer!”

En toen blies net meneer de wind jolig in de schoorsteen: “Hoeioei, hoeioei, wat is er toch met jou?” – “O, meneer de wind,” zei het fluitje, “kunt u me alstublieft helpen? Sinterklaas slaapt en de nacht is al bijna om.” – “Hoeoe,” riep de wind weer, “wat kan ik voor je doen?” – “Door me heen blazen,” riep het fluitje, “als je dat doet, maak ik geluid en dan kan ik Sinterklaas wakker maken.”

Dus blies meneer de wind door het fluitje. Eerst floot het heel zachtjes en dat was net of er belletjes tinkelden. Sinterklaas droomde dat er elfjes lachten. Er kwam een glimlach op zijn gezicht, maar hij werd niet wakker. Toen blies de wind iets harder en het fluitje maakte hoge, vrolijke muziek. Sinterklaas droomde nu dat er jongens en meisjes Sinterklaasliedjes zongen; hij bewoog zich een beetje, maar werd niet wakker.

Toen blies de wind flink hard en het fluitje maakte een geluid of het buiten stormde. Ik moet eens gaan kijken of mijn schimmel het warm genoeg heeft, dacht Sinterklaas in zijn slaap…

Plotseling zat hij met een schok rechtop en was meteen klaar wakker. “Lieve help, ik heb bijna een uur geslapen,” zei hij. “Wie zou me gewekt hebben?” Hij keek de kamer rond en zag het fluitje, dat over de rand van de schoen naar hem gluurde, en hoorde de wind, die zich door de schoorsteen naar binnen haastte.

Hij nam het fluitje uit de schoen en zei vriendelijk lachend: “Niemand kon me wakker krijgen, behalve jij. Jij bent zo’n klein stukje speelgoed, dat Bobbie je heus niet zal missen en ik heb je hard nodig. Je blijft bij mij.” Hij stopte het fluitje in een zak van zijn wijde mantel en haastte zich naar het dak, klom op zijn schimmel en reed weg; het fluitje in zijn zak en de wind achter hem aan.

Sinds die tijd gebruikt Sinterklaas ieder jaar opnieuw het fluitje om zijn paard op Sinterklaasavond bij zich te roepen. En sinds die tijd blaast ook ieder jaar op die avond de wind in de schoorsteen…

 


De brief van Sinterklaas

Het is 5 december. Tom en zijn zusje Floor zitten in de kamer en kijken steeds naar buiten. Ze hopen dat ze Zwarte Piet zien die beloofd heeft dat hij cadeautjes zal komen brengen.
“Hebben jullie al iets gezien?”, vraagt mama.
“Nee”, zegt Tom en hij gaat weer uit het raam kijken.

Opeens horen ze de deurbel: “Trinnnnnnnng”.
Tom en Floor kijken elkaar aan en mama zegt: “Ga maar even kijken.”
Tom doet de deur open, maar er staat niemand.
Wat raar, wie heeft er dan aangebeld?
“Kijk eens, er ligt een brief op de grond. Van wie zou die zijn? Neem maar mee naar de kamer”, zegt mama.
“Ik kan nog niet lezen”, zegt Tom.
“Mama moet lachen en zegt: “Ik lees hem wel even voor”.
Mama maakt de enveloppe open en zegt: “Heey, het is een brief van Sinterklaas”.
“Lezen, lezen”, roept Floor.
En mama begint te lezen:

Lieve Tom en Floor

Zwarte Piet had op de boot voor jullie een zak cadeautjes klaargezet en toen hij die vanmiddag naar jullie wilde brengen, was de zak weg.
Alle Pieten hebben gezocht, maar de zak was nergens te vinden.
Een van de Pietjes zocht niet mee en hij moest steeds lachen.
Ik heb hem gevraagd waarom hij zoveel plezier had en weten jullie wat hij toen zei?
“Ik heb de zak weggepakt en alle cadeautjes in het huis van Tom en Floor verstopt.”
Deze kleine Piet is wel een grapjas, vinden jullie ook niet?
Jullie mogen nu de cadeautjes gaan zoeken.
Veel plezier met jullie cadeautjes.

Sinterklaas.

Mama vouwt de brief dicht en zegt: “oh, oh, die ondeugende Piet. Waar zouden de cadeautjes zijn verstopt? Ga maar gauw zoeken.”
De kinderen zoeken in de kamer, in de keuken, in de slaapkamer en op zolder en overal komen er cadeautjes tevoorschijn.
Ze hebben erg veel plezier en elke keer als ze een cadeautje vinden, rennen ze naar de kamer om het pakje uit te pakken.
Ook papa en mama krijgen cadeautjes.

Als alle cadeautjes zijn uitgepakt gaan Tom en Floor met hun nieuwe speelgoed spelen.

Tom heeft een mooie garage en auto’s gekregen en Floor is erg blij met de nieuwe pop en de poppenwagen.
En terwijl de kinderen aan het spelen zijn, drinken papa en mama een kopje thee en staan er glazen limonade voor de kinderen klaar.
Ook liggen er lekkere pepernoten op een bordje.
Daarna ruimen papa en mama al het cadeaupapier op, want daar hebben Tom en Floor geen tijd meer voor.

 


6 December

‘Mama, ik kan niet slapen. Ik vind het zo spannend.’
Dit is al de derde keer dat Jippe zijn bed uit komt.
Mama wordt er een beetje moe van. Ze zegt: ‘Luister eens, Jippe.

Sinterklaas komt alleen als iedereen slaapt. Hij wil niet dat iemand hem ziet.
De Hoofdpiet kijkt eerst of het stil is.’
Jippe denkt! ‘Misschien kan ik nu wel slapen.’
Mama stopt hem in.
Na een kwartiertje slaapt Jippe als een roos.
‘Gelukkig,’ zegt Mama tegen Papa.

Om 6 uur wordt Jippe wakker. Het is heel stil in huis.

Jippe durft niet op te staan. Zou Sinterklaas geweest zijn?
Jippe hoest en hoest nog eens. Het blijft stil.

Hij zingt een liedje, eerst zachtjes. Dan steeds harder.
Papa zegt: ‘Ssst… Mama slaapt nog.’
‘Nee hoor, ik ben ook al wakker.’ klinkt het.
Met z’n drieën gaan ze de trap af. Jippe achteraan.

Papa doet de deur open…

Jippe ziet een tafel, vol met cadeautjes.
‘Hij is geweest, Sinterklaas is geweest!’ roept hij.

Op de tafel staat een trein, stiften, een mooie blauwe trui, klei en houten blokken. Ook een tekenblok en memorie. Jippe kijkt zijn ogen uit.

Hij speelt het eerst met de trein.
‘Mama, waar is Sinterklaas nu?’ vraagt Jippe.
‘Sinterklaas is weer terug naar Spanje. De Zwarte Pieten ook.’
‘Jammer,’ zegt Jippe. ‘Dan kunnen ze mijn cadeautjes niet zien.’
Mama lacht. ‘Zullen we memorie spelen?’ vraagt ze.
Jippe speelt de hele dag met zijn cadeautjes.


Een heel stout jongetje

 

Er was eens een heel stout jongetje. Dat jongetje was ook wel eens aardig, maar hij kon het niet nalaten om kattenkwaad uit te halen. Hoeveel ruiten hij al niet met voetballen op straat had gebroken – daar zou je een heel glazen paleis van kunnen maken. En hoeveel potten jam hij al niet had leeg gelikt – daar zou je een hele jamfabriek mee kunnen beginnen. En hij klom altijd in bomen en scheurde altijd zijn kleren en op school strooide hij niespoeder in de brillenkoker van de meester en hij was nooit op tijd voor het eten thuis en ’s morgens kreeg je ‘m zijn bed niet uit en hij deed alles wat jongetjes niet mogen doen.

En het ergste was, dat hij zo’n brutale mond had. Als je tegen hem zei: dat hij toch eigenlijk een heel stout jongetje was, dan haalde hij zijn schouders op en antwoordde: “Nou, en wat zou dat? Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken. Laat mij dan maar een stout jongetje zijn.” En als je dan zei dat het toch niet nodig was om zó héél verschrikkelijk erg ontzettend ongelooflijk stout te zijn, dan stak hij alleen zijn tong maar uit en trok een lange neus tegen je.

Zijn vader en moeder vonden het natuurlijk niet leuk dat hij zo stout was. Zijn vader moest steeds maar gebroken ruiten betalen en zijn moeder nieuwe potten jam kopen. Nu was dat niet zo heel verschrikkelijk, omdat vader een Directeur was van Iets en dus veel geld verdiende, maar toch wilden ze graag dat hun jongetje eens een klein beetje minder stout zou worden. Toen de Sinterklaastijd naderde, zeiden ze dus tegen het jongetje: “Kun je nu eindelijk niet eens wat zoeter zijn? Je weet heel goed dat Sint Nicolaas verleden jaar ook al zo verdrietig over je was… Hij zei toen dat je dit jaar beter je best moest doen, want anders zou hij je misschien wel in de zak laten stoppen!”

“Poeh,” zei het jongetje, “ik laat me toch niet bang maken, hoor!” En hij holde hard de straat op en schopte tegen een keisteen, die daardoor natuurlijk juist door de spiegelruit van de banketbakker vloog. Het jongetje kreeg geen enkele avond iets in zijn schoen. Maar hij zei dat hij dat niet erg vond, want er waren zoveel zoete jongetjes die bang voor hem waren, dat ze al hun snoepgoed met hem deelden. En toen kwam Sinterklaasavond.

Vader en moeder en het jongetje zaten te wachten tot Sint Nicolaas zou komen. Want komen zou hij zeker. Hij kwam toch overal! En ja hoor, opeens werd er hard gebeld. Vader ging opendoen en Sint Nicolaas en Zwarte Piet kwamen de kamer binnen.

“Even kijken,” zei Sint Nicolaas terwijl hij zijn bril opzette en in het Grote Boek keek, “ah, juist, nu weet ik het weer, hier woont dat hele stoute jongetje. Zozo…” en hij keek over zijn brillenglazen naar het jongetje. Het stoute jongetje keek brutaal terug, maar zijn tong durfde hij toch niet uit te steken.

“Piet,” vervolgde Sint Nicolaas tegen Zwarte Piet, “dit jongetje is onverbeterlijk. Wat ik niet allemaal over hem gehoord heb, sinds ik weer in Nederland ben!”

“Dus geen cadeautje, Sinterklaas?” vroeg Zwarte Piet.

“Cadeautje?” vroeg Sint Nicolaas. “Hoe haal je ’t in je hoofd, Piet. Is het niet juist,” vroeg hij toen aan Vader en Moeder, “dat dit jongetje dit jaar nóg meer ruiten heeft gebroken en nóg meer potten jam heeft leeg gelikt dan verleden jaar? En dat hij de schoenen van zijn schoolmeester, die de arme man uitgetrokken had omdat zijn voeten zo’n pijn deden, zomaar heeft verstopt, zodat de meester op zijn sokken naar huis moest? En… ach, ik kan wel blijven doorgaan.”

“Het spijt ons,” knikten vader en moeder, “het is allemaal waar.”

“En heb jij geen spijt?” vroeg Sint Nicolaas aan het jongetje.

“Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken,” zei het jongetje, “en ik wil geen Brave Hendrik zijn.”

“Nog steeds even brutaal,” zei Sint Nicolaas. “Piet, stop hem in de zak!” Het jongetje probeerde nog weg te lopen, maar Zwarte Piet pakte hem meteen beet en stopte hem in de zak. “Zo, dan gaan we maar weer,” zei Sint Nicolaas. “Maar ons jongetje dan?” vroegen vader en moeder. Sint Nicolaas en Zwarte Piet waren echter de kamer en het huis al uit.

Nu moet je weten dat Sint Nicolaas stoute kinderen nooit heel lang in de zak laat zitten. Na een half uurtje of zo vindt hij het wel genoeg, dan doet hij de zak open en laat de kinderen beterschap beloven, voor hij ze naar huis stuurt. En dikwijls geeft hij ze dan nog een cadeautje ook. Maar toevallig was het jongetje één van de laatste kinderen die hij had bezocht. En de volgende dag ging hij terug naar Spanje, want hij had haast dit jaar.

Pas toen ze weer thuis in Spanje waren, zei Sint Nicolaas tegen zijn knecht: “Zeg, Piet, herinner ik me dat nou goed? Hadden wij niet een heel stout jongetje in de zak gestopt?”

“Ja, baas,” zei Piet.

“Maar hebben we dat jongetje ook weer uit die zak gehaald?”

“Nee, baas, dat ben ik helemaal vergeten,” zei Piet.

“O, domme Piet, we laten kinderen toch nooit lang in zo’n zak zitten.” En Sint Nicolaas maakte haastig de zak open – en ja hoor, daar lag het stoute jongetje… heerlijk te slapen.

“Word eens wakker! En kom er maar gauw uit!” zei Sint Nicolaas. Het jongetje werd wakker en zei: “Zijn we dan al in Spanje? O ja, ik voel het, het is hier veel warmer. En hangen hier de sinaasappelen nu echt aan de bomen?” En het jongetje sprong de zak uit en begon te dansen van plezier omdat hij in Spanje was.

Sint Nicolaas ging op een stoel zitten, streek een keer of tien door zijn baard en zuchtte: “Wat moeten we nu met zó’n jongetje beginnen, Piet. Hoe moet je zó’n jongetje nu bestraffen. We zullen hem maar gauw met een vliegtuig naar huis sturen.”

“O, nee, Sint Nicolaas!” riep het jongetje. “Mag ik alstublieft een weekje blijven? Het is hier zo lekker warm en ik heb zo’n trek in sinaasappelen!”

“Zo’n stout jongetje als jij? O nee,” zei Sint Nicolaas.

“Dan zal ik heus en echt nóóit meer zo’n stout jongetje zijn. Wel een beetje stout, een heel klein beetje stout, maar meer ook niet. Ik beloof het.”

“Hum,” zei Sint Nicolaas. “Tja, als je dat echt belooft… Vooruit dan maar.” Hij liet Zwarte Piet een telegram naar de vader en moeder van het jongetje sturen en het jongetje mocht een hele week bij Sint Nicolaas logeren en zijn witte schimmel verzorgen en net zoveel sinaasappelen eten als hij maar lustte. En toen het jongetje weer in Nederland terug was, werd hij werkelijk een aardig, helemaal niet zo stout jongetje. En als de andere jongens hem vroegen wat hij voor zijn Sinterklaas gekregen had, dan zei hij: “Het mooiste cadeau dat je denken kunt. Ik heb een hele week lang bij Sint Nicolaas zélf gelogeerd. Wat zeg je me daarvan?”